ECLI:NL:CRVB:2019:1513
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing ziekengeld na eerstejaars Ziektewetbeoordeling
Appellante was gedeeltelijk werkzaam als helpende zorg en ontving een aanvullende WW-uitkering. Na ziekmelding met lichamelijke en psychische klachten werd zij door het UWV beoordeeld in het kader van de eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWb). Een verzekeringsarts stelde vast dat zij belastbaar was met beperkingen volgens een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), waarna een arbeidsdeskundige vier functies selecteerde die zij mogelijk kon vervullen. Het UWV besloot dat appellante geen recht meer had op ziekengeld omdat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen. Dit besluit werd in bezwaar en beroep door de rechtbank bevestigd.
In hoger beroep herhaalde appellante dat zij door haar klachten niet in staat was de geselecteerde functies uit te voeren en dat onvoldoende rekening was gehouden met haar psychische en lichamelijke beperkingen. De Raad onderschreef echter de medische en arbeidskundige beoordeling van het UWV en oordeelde dat de FML terecht was vastgesteld en dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren. Tevens werd het beroep op het vertrouwensbeginsel verworpen omdat het UWV geen onjuiste verwachtingen had gewekt.
De Raad concludeerde dat de aangevallen uitspraken terecht waren en bevestigde deze. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op ziekengeld omdat zij geschikt is voor de geselecteerde functies en het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt.