ECLI:NL:CRVB:2019:1517
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellante, voormalig leidster van een kinderdagverblijf, heeft een WIA-uitkering aangevraagd nadat zij zich ziek meldde met lichamelijke en psychische klachten. Het UWV kende aanvankelijk een loongerelateerde WGA-uitkering toe, maar beëindigde deze later omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht.
Na een melding van verslechtering van haar gezondheid weigerde het UWV de WIA-uitkering opnieuw op basis van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen adequaat waren vastgesteld.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt dat haar beperkingen werden onderschat en verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en vond geen aanleiding om te twijfelen aan de medische beoordeling of om een deskundige te benoemen.
De Raad concludeerde dat de beperkingen zoals vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) juist zijn en dat de geselecteerde functies binnen de belastbaarheid van appellante vallen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing voor aanvullende beperkingen.