ECLI:NL:CRVB:2019:1533
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit bijzondere bijstand woninginrichting conform gemeentelijk beleid
Appellant verbleef van februari 2016 tot april 2017 in een GGZ-instelling en verhuisde daarna naar een zelfstandige woning. Hij vroeg bijzondere bijstand aan voor inrichtingskosten. Het college kende hem een bedrag van € 2.546 toe, waarvan € 631 als gift en € 1.915 als lening, conform het gemeentelijke beleid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat het college het maximale bedrag had toegekend en het beleid voorschrijft dat bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen als lening wordt verstrekt, tenzij sprake is van een schuldhulpverleningstraject. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het toegekende bedrag te laag was en dat de bijstand om niet had moeten worden verstrekt.
De Raad oordeelde dat het college bevoegd is forfaitaire bedragen vast te stellen en dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het toegekende bedrag niet toereikend is. Ook is vastgesteld dat appellant slechts is aangemeld voor schuldhulpverlening en niet toegelaten, waardoor verstrekking als lening passend is. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot toekenning van bijzondere bijstand conform het gemeentelijke beleid, verstrekt als lening en niet als gift.