Uitspraak
26 mei 2016, 15/7036 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante vroeg bijzondere bijstand aan voor inrichtingskosten, specifiek voor een bed, omdat zij op een oud matras op de grond sliep en rugklachten had. Het college kende bijzondere bijstand toe tot €140,-, gebaseerd op forfaitaire richtprijzen voor een bedframe, lattenbodem en matras. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit werd ongegrond verklaard door het college.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. Appellante stelde dat haar aanvraag ook betrekking had op beddengoed, maar dat het college dit niet had meegewogen. De Raad oordeelde dat appellante zelf verantwoordelijk is voor de inhoud van haar aanvraag en dat uit de aanvraag niet blijkt dat beddengoed was bedoeld.
Verder voerde appellante aan dat het toegekende bedrag onvoldoende was om een bed aan te schaffen. De Raad bevestigde dat het college forfaitaire bedragen mag hanteren om de goedkoopste adequate voorziening te bepalen en dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het bedrag niet toereikend was. Het college stelde bovendien dat op marktplaats bedden verkrijgbaar zijn binnen het toegekende bedrag.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.