Uitspraak
18.1682 PW-PV
BESLISSING
3 juli 2017 in te trekken. Wat appellant heeft aangevoerd, levert geen grond op voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep behandeld tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De kern van het geschil betreft de intrekking van het recht op bijstand na een eerdere opschorting, omdat appellant niet tijdig de gevraagde bankafschriften heeft overgelegd en zonder bericht niet op afspraken is verschenen.
Appellant, die dakloos is en een postvak heeft bij de Afdeling Werk en Inkomen van de gemeente, haalde zijn post slechts ongeveer één keer per maand op in plaats van de afgesproken wekelijkse frequentie. Dit werd door de Raad als een verwijtbaar handelen beschouwd. De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hem geen verwijt kan worden gemaakt voor het niet tijdig overleggen van de gevraagde gegevens.
Het college van burgemeester en wethouders van Tilburg was daarom bevoegd om het recht op bijstand per 3 juli 2017 in te trekken. De Raad vond geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegewezen.
Uitkomst: De intrekking van het recht op bijstand wordt bevestigd vanwege het niet tijdig overleggen van bankgegevens door appellant.