ECLI:NL:CRVB:2019:1547
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor inrichtingskosten wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellanten vroegen bijzondere bijstand aan voor inrichtingskosten na een verhuizing. Het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer wees de aanvraag af omdat de kosten voortvloeiden uit een eigen keuze en niet uit bijzondere omstandigheden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en in hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad overwoog dat inrichtingskosten in principe uit het inkomen op bijstandsniveau moeten worden voldaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die de noodzaak tot bijzondere bijstand rechtvaardigen.
Appellanten verhuisden eerst naar een gemeubileerd appartement, maar vertrokken enkele dagen later naar een ongemeubileerd appartement. Zij stelden dat het eerste appartement in slechte staat was en onbewoonbaar, wat de verhuizing noodzakelijk maakte. De Raad oordeelde echter dat de gebreken herstelbaar waren en dat er geen dringende noodzaak tot verhuizing bestond.
De Raad baseerde dit onder meer op een e-mail van het woningbemiddelingsbedrijf en telefonische navraag waaruit bleek dat het appartement na vertrek van appellanten gerenoveerd werd om sneller verhuurd te kunnen worden. Appellanten maakten niet aannemelijk dat het appartement onbewoonbaar was.
Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag voor bijzondere bijstand voor inrichtingskosten wordt afgewezen wegens ontbreken van bijzondere omstandigheden en noodzaak tot verhuizing.