ECLI:NL:CRVB:2019:1554
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet melden wijziging woonsituatie
Appellant diende op 4 maart 2017 een aanvraag om bijstand in met als gewenste ingangsdatum 1 februari 2017 en gaf een adres op als woonadres. Het college wees de aanvraag aanvankelijk af wegens gezamenlijke huishouding, maar kende later bijstand toe vanaf 4 maart 2017 met een kostendelende medebewoner. Vervolgens trok het college de bijstand per 1 juni 2017 in omdat appellant niet had gemeld dat hij niet meer op het opgegeven adres woonde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat bijzondere omstandigheden een eerdere toekenning van bijstand rechtvaardigden, maar kon dit niet onderbouwen. De Raad oordeelde dat bijstand in principe niet wordt verleend voor de datum van aanvraag, tenzij bijzondere omstandigheden aannemelijk zijn gemaakt, wat hier niet het geval was.
Verder was onomstreden dat appellant vanaf 1 juni 2017 niet meer op het opgegeven adres woonde en dit niet onverwijld had gemeld. Het indienen van het huurcontract op 28 juni 2017 was geen tijdige melding volgens artikel 17 PW Pro. Door deze schending bleef de woonsituatie onduidelijk, waardoor niet kon worden vastgesteld of appellant recht had op bijstand in de periode juni 2017.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens niet tijdige melding van wijziging woonsituatie wordt bevestigd.