ECLI:NL:CRVB:2019:1575
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens intrekking AOW-besluit na nieuwe beslissing
Appellant had op 28 juli 2015 een AOW-pensioen aangevraagd waarbij hij een woonperiode in Nederland had opgegeven. De Sociale verzekeringsbank (Svb) kende hem aanvankelijk slechts 18% van het maximale AOW-pensioen toe, omdat hij niet verzekerd zou zijn geweest over bepaalde perioden.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit vervolgens ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan het niet eens te zijn met de hoogte van het pensioen.
De Svb nam op 20 december 2018 een nieuwe beslissing waarin zij appellant alsnog een AOW-pensioen van 20% toekende, met een nabetaling van bruto €494,61. De Raad stelde vast dat hiermee geheel aan de bezwaren was tegemoetgekomen en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat appellant geen belang meer had bij een beoordeling van het bestreden besluit.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en de Svb werd opgedragen het griffierecht van €172,- aan appellant te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de Sociale verzekeringsbank met een nieuw besluit geheel tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellant.