ECLI:NL:CRVB:2019:1577
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziekengeld op grond van geschiktheid voor geselecteerde functies bevestigd
Appellant, laatstelijk werkzaam als wasserijmedewerker, meldde zich ziek en ontving ziekengeld op grond van de Ziektewet. Na een toetsing in het tweede ziektejaar stelde het Uwv vast dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen met geselecteerde functies, waarna het ziekengeld werd beëindigd.
Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat het medisch onderzoek onvoldoende was, onvoldoende rekening was gehouden met psychische klachten en medicatiebijwerkingen, en dat hij niet in staat was de geselecteerde functies uit te oefenen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel. Het medisch onderzoek was zorgvuldig en de functionele mogelijkheden waren adequaat vastgesteld. De Raad vond geen aanwijzingen dat appellant verdergaande beperkingen had dan vastgesteld, ook niet op psychisch gebied. De geschiktheid voor de geselecteerde functies was voldoende gemotiveerd.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld wordt bevestigd.