ECLI:NL:CRVB:2019:1585
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep afgewezen inzake verzoek om hogere WAO-uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft sinds 26 augustus 1991 recht op een WAO-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid, welke is berekend op basis van een dagloon dat lager is dan het minimumloon. In 2015 verzocht appellant om een hogere uitkering, maar het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wees dit verzoek af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat een herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid niet tot een hogere uitkering kan leiden.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn stelling dat de uitkering te laag is, verwijzend naar eerdere hogere uitkeringen en documenten uit de jaren 1990. Het Uwv verduidelijkte dat de lagere uitkering het gevolg is van de beëindiging van een verlengde Ziektewet-uitkering in 1993, waarna alleen de WAO-uitkering en een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) werden uitgekeerd.
De Raad concludeert dat de gronden van het hoger beroep een herhaling zijn van eerdere bezwaren die reeds door de rechtbank zijn behandeld en dat er geen nieuwe feiten of argumenten zijn die aanleiding geven tot een hogere uitkering. De berekening van de uitkering en toeslag is correct en het verzoek om verhoging wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Hoger beroep wordt afgewezen; uitkering blijft ongewijzigd.