ECLI:NL:CRVB:2019:1586
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering en beëindiging ZW-uitkering na hersenbloeding
Appellante, die na een hersenbloeding arbeidsongeschikt werd, vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV weigerde deze omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht op basis van medische en arbeidsdeskundige rapporten. Tevens werd haar ZW-uitkering beëindigd omdat zij geschikt werd geacht voor ten minste één van de geselecteerde WIA-functies.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellante tegen deze besluiten ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen werden onderschat en overhandigde aanvullende medische verklaringen. De Raad volgde het oordeel van de rechtbank en het UWV, dat de medische en arbeidsdeskundige beoordelingen zorgvuldig en onderbouwd waren.
De Raad concludeerde dat er geen aanleiding was om te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag en de geschiktheid van de functies waarop de beoordeling was gebaseerd. De WIA-uitkering werd terecht geweigerd en de ZW-uitkering terecht beëindigd. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt afgewezen; WIA-uitkering terecht geweigerd en ZW-uitkering terecht beëindigd.