ECLI:NL:CRVB:2019:1608
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herroeping bijstandsverlening wegens onrechtmatigheid en proceskostenveroordeling
Betrokkene ontving bijstand van september 2010 tot februari 2016. Na een verkeersongeval in 2012 ontving hij een schadevergoeding van Achmea. Het college stelde in 2016 vast dat het vermogen van betrokkene het vrij te laten bedrag overschreed en vorderde een deel terug. Betrokkene diende in beroep aanvullende rapporten in waaruit bleek dat ook materiële schade en medische kosten waren vergoed, die niet tot het vermogen mochten worden gerekend.
De rechtbank vernietigde het besluit van het college en stelde het terug te vorderen bedrag lager vast. Tevens veroordeelde zij het college tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene in bezwaar en beroep. Het college stelde in hoger beroep dat er geen sprake was van aan het college te wijten onrechtmatigheid, omdat betrokkene de benodigde stukken pas in beroep overlegd had en dat de proceskostenveroordeling onterecht was.
De Raad oordeelde dat het college het terug te vorderen bedrag niet zou hebben aangepast indien de stukken eerder waren overgelegd, waardoor sprake is van aan het college te wijten onrechtmatigheid. Daarom was de herroeping terecht. Wel oordeelde de Raad dat de rechtbank ten onrechte kosten voor de hoorzitting had toegekend omdat de gemachtigde van betrokkene niet aanwezig was. Hierdoor werd het bedrag van de proceskostenveroordeling verlaagd. De Raad veroordeelde het college tot een aangepaste proceskostenvergoeding en vernietigde het deel van de uitspraak over de hoorzittingskosten.
Uitkomst: Het college wordt veroordeeld tot betaling van aangepaste proceskosten wegens aan het college te wijten onrechtmatigheid en het besluit tot terugvordering wordt herroepen.