ECLI:NL:CRVB:2019:1609

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 mei 2019
Publicatiedatum
15 mei 2019
Zaaknummer
18/113 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:118 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:57 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Centrale Raad van Beroep veroordeelt UWV in proceskosten na intrekking hoger beroep

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant) stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Limburg. Namens de betrokkene, het College van Bestuur van de Universiteit Maastricht, werd een verweerschrift ingediend. Op 4 februari 2019 trok appellant het hoger beroep in.

Op verzoek van de betrokkene werd appellant veroordeeld in de proceskosten voor het indienen van het verweerschrift en een schriftelijke zienswijze, begroot op €768,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het onderzoek ter zitting werd achterwege gelaten op grond van artikel 8:57 Awb Pro.

De Raad oordeelde dat artikel 8:118 Awb Pro in samenhang met artikel 8:75 Awb Pro de grondslag biedt om het bestuursorgaan te veroordelen in de kosten na intrekking van het hoger beroep. De uitspraak werd op 15 mei 2019 in het openbaar gedaan door rechter J.P.M. Zeijen, in aanwezigheid van griffier L.R. Carlier.

Uitkomst: Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is veroordeeld in de proceskosten van €768,- na intrekking van het hoger beroep.

Uitspraak

Datum uitspraak: 15 mei 2019
18/113 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:118 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
28 november 2017, 16/2029 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)
het College van Bestuur van de Universiteit Maastricht, gevestigd te Maastricht (betrokkene)
Als belanghebbende heeft aan het geding deelgenomen: [X.],
wonende te [Y.]

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. M.L.M. van de Laar, advocaat, een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 4 februari 2019 heeft appellant het hoger beroep ingetrokken.
Namens betrokkene heeft mr. Van de Laar verzocht appellant te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep.
Appellant heeft hiertegen geen verweer gevoerd, voor zover dit de kosten betreft van het indienen van het verweerschrift.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:118, eerste lid, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb kan worden veroordeeld in de proceskosten.
Anders dan appellant ziet de Raad aanleiding om appellant te veroordelen in zowel de kosten voor het indienen van het verweerschrift als voor het indienen van een schriftelijke zienswijze op verzoek van de Raad. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 768,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 768,-.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van L.R. Carlier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2019.
(getekend) J.P.M. Zeijen
(getekend) L.R. Carlier
SSa