ECLI:NL:CRVB:2019:1615
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellant, voormalig beveiliger, meldde zich ziek vanwege psychische klachten en ontving een WGA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling beëindigde het UWV de uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bleek te zijn. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij het medisch onderzoek en de functionele mogelijkhedenlijst (FML) als zorgvuldig en volledig werden beoordeeld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het medisch onderzoek onvoldoende was, dat hij verdergaande beperkingen had door een angststoornis en depressieve klachten, en dat de geselecteerde functies niet geschikt waren. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de FML een juiste weergave van de belastbaarheid gaf. De Raad volgde de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er geen medisch substraat was voor een zeer ernstig beperkte energetische belastbaarheid.
De Raad oordeelde dat een diagnose van een ernstige depressieve stoornis niet doorslaggevend is voor de mate van arbeidsongeschiktheid en dat de door appellant aangevoerde bijwerkingen van medicatie onvoldoende waren onderbouwd. Ook de geschiktheid van de geselecteerde functies werd bevestigd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.