Uitspraak
17.3374 WIA
29 maart 2017, 16/4398 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig inbouwinstallateur, meldde zich in 2012 ziek vanwege psychische klachten. Na toekenning van een WGA-uitkering in 2014 en een vervolguitkering in 2015 op basis van 65-80% arbeidsongeschiktheid, maakte appellant bezwaar. Een aanvullend verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek stelde de arbeidsongeschiktheid vast op 52,61%, waarna de uitkering werd verlaagd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was, ook al was het primaire besluit genomen zonder voorafgaand medisch onderzoek. De rechtbank vond geen aanwijzingen dat de medische beoordeling onjuist was, ondanks het ontbreken van actuele medische informatie van appellant.
In hoger beroep stelde appellant dat het onderzoek onzorgvuldig was omdat geen lichamelijk onderzoek was verricht en dat zijn beperkingen waren onderschat. De Raad onderschreef echter het oordeel van de rechtbank, benadrukte dat het primaire onderzoek wel lichamelijk was en dat pijnontwijkend gedrag het verder onderzoek belemmerde.
De Raad verwierp ook het bezwaar over de passendheid van de geselecteerde functies wegens gebrek aan onderbouwing. Gezien het ontbreken van volledige arbeidsongeschiktheid werd niet ingegaan op de duurzaamheid daarvan. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van 52,61% correct is vastgesteld en wijst het hoger beroep af.