Uitspraak
17.1908 ZW
31 januari 2017, 16/1277 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante, werkzaam als medewerkster contactcenter, meldde zich per 18 augustus 2015 ziek met psychische klachten en ontving een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het UWV stelde op 6 oktober 2015 vast dat zij per 7 oktober 2015 geen recht meer had op ziekengeld, omdat zij geschikt werd geacht voor haar laatst verrichte arbeid. Appellante maakte bezwaar, dat aanvankelijk niet-ontvankelijk werd verklaard vanwege een ontbrekende handtekening, maar later ongegrond werd verklaard.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij verzekeringsartsen dossieronderzoek en lichamelijk en psychisch onderzoek deden, en informatie van behandelend psycholoog en huisarts betrokken werd. De rechtbank volgde de verzekeringsarts in zijn standpunt dat de borderline persoonlijkheidsstoornis een grillig klachtenpatroon kent, maar dat belasting uit het privéleven buiten beschouwing moet blijven. Zonder objectief vastgestelde substantiële wijziging in ernst was er geen reden appellante aanvullend beperkt te achten.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren en stelde dat haar psychische beperkingen en slapeloosheid onderschat waren en dat zij niet in staat was haar arbeid te verrichten. De Raad concludeerde dat deze gronden onvoldoende aanleiding gaven om anders te oordelen dan de rechtbank. De toename van klachten na de datum in geding kon niet leiden tot een ander oordeel over haar belastbaarheid op die datum.
De Raad bevestigde dat appellante geschikt was voor haar maatgevende arbeid per 7 oktober 2015 en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak dat appellante geschikt is voor haar maatgevende arbeid wordt bevestigd.