ECLI:NL:CRVB:2019:164
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herstel recht op ziekengeld wegens ongeschiktheid voor functie besteller postpakketten door medicijngebruik
Appellant was werkzaam in een supermarkt en meldde zich op 12 maart 2012 ziek. Na afloop van de wachttijd stelde het UWV vast dat appellant per 10 maart 2014 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geen recht had op een WIA-uitkering. Appellant kreeg later een uitkering op grond van de Werkloosheidswet en meldde zich op 17 september 2015 opnieuw ziek met pijn- en psychische klachten.
Op 18 november 2015 oordeelde een verzekeringsarts dat appellant geschikt was voor meerdere functies, waaronder besteller postpakketten (auto). Het UWV stelde daarop het recht op ziekengeld per die datum stop, wat appellant betwistte. Na bezwaar en beroep handhaafde het UWV dit besluit. In hoger beroep stelde het UWV dat ook de functie inpakker niet geschikt was, maar bleef de functie besteller postpakketten geschikt.
Appellant betwistte de geschiktheid voor deze functie vanwege zijn beperkte opleiding, taalvaardigheid, IQ-stoornis en vooral het gebruik van medicijnen die de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden. De Raad concludeerde dat appellant op 18 november 2015 medicijnen gebruikte die een ernstig tot matige invloed op de rijvaardigheid hebben en dat het UWV onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat dit geen belemmering vormde voor het beroepsmatig deelnemen aan het verkeer.
Daarom oordeelde de Raad dat het UWV ten onrechte het recht op ziekengeld had beëindigd. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak vernietigd, en het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het UWV heeft ten onrechte het recht op ziekengeld per 18 november 2015 beëindigd; het besluit wordt vernietigd en het recht op ziekengeld hersteld.