ECLI:NL:CRVB:2019:1657
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geschiktheid passende arbeid zelfstandige kapper met RSI-klachten
Appellant, een zelfstandig ondernemer met een eigen kapsalon, meldde zich op 29 december 2014 ziek vanwege klachten aan zijn rechterarm en schouder. Na onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het UWV werd vastgesteld dat appellant geschikt is voor aangepaste arbeid die past bij zijn beperkingen. Deze aangepaste arbeid houdt in dat hij leiding geeft aan zijn kapsalon, klanten adviseert, gastheer is en slechts een beperkt aantal klanten per dag knipt.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het UWV een onjuiste maatstaf hanteerde door uit te gaan van een aangepaste bedrijfsvoering, terwijl hij volgens hem zijn bedrijfsvoering niet had aangepast en nog steeds 40 uur per week als kapper werkte. Hij stelde dat hij door chronische RSI niet in staat was zijn werk te verrichten en overhandigde jaarstukken ter onderbouwing van afgenomen resultaten.
De Raad oordeelde dat de aangevoerde stukken niet leiden tot een ander oordeel en dat de arbeidsdeskundige en verzekeringsarts voldoende gemotiveerd hebben vastgesteld dat appellant geschikt is voor de aangepaste arbeid. De beperkingen van appellant maken hem ongeschikt voor het oorspronkelijke werk, maar niet voor de aangepaste werkzaamheden. De rechtbank en de Raad volgen het UWV in het standpunt dat appellant vanaf 21 december 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld.
Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Appellant is geschikt voor aangepaste arbeid en heeft vanaf 21 december 2015 geen recht meer op ziekengeld.