ECLI:NL:CRVB:2019:1684
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over toekenning IVA-uitkering wegens duurzame volledige arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als verzorgende IG, meldde zich in 2006 ziek na een hartinfarct en kreeg een WGA-uitkering toegekend met 100% arbeidsongeschiktheid. Na een verslechtering van haar gezondheid in 2013 stelde zij dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was en recht had op een IVA-uitkering. Het UWV herzag haar uitkering in 2014 naar 48% arbeidsongeschiktheid, later bij bezwaar vastgesteld op 52,5%, waardoor een IVA-uitkering werd geweigerd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordelend dat de medische beoordeling en de functionele mogelijkhedenlijst juist waren toegepast. In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen onderschat waren en duurzaam van aard, wat werd ondersteund door een door de Raad ingeschakelde cardioloog. Deze deskundige concludeerde dat de beperkingen ernstiger en duurzaam waren dan door het UWV aangenomen.
De Raad volgde het deskundigenrapport en vernietigde het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak. Het UWV wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen rekening houdend met de vastgestelde beperkingen, waarbij appellante mogelijk recht heeft op een IVA-uitkering. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn met ruim vijf maanden was overschreden, wat leidt tot een schadevergoeding van €500 aan appellante. De Staat werd veroordeeld tot deze vergoeding en het UWV tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd; appellante heeft recht op een nieuwe beoordeling met mogelijke toekenning van een IVA-uitkering.