ECLI:NL:CRVB:2019:17
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens geen toename arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig magazijnmedewerker, meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten en ontving een WW-uitkering. Het UWV stelde bij besluit vast dat appellant per einde wachttijd niet arbeidsongeschikt genoeg was voor een WIA-uitkering. Na een melding van vermeende toegenomen klachten vond een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaats, waarna het UWV opnieuw weigerde een WIA-uitkering toe te kennen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en geen toename van beperkingen kon worden vastgesteld. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak en voerde aan dat zijn medische situatie was verslechterd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank de gronden van appellant afdoende en overtuigend had gemotiveerd en dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was verricht. Er was geen toename van medische beperkingen binnen vijf jaar na de wachttijd, waardoor geen recht op WIA-uitkering ontstond. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op WIA-uitkering wegens het ontbreken van een toename van arbeidsongeschiktheid.