ECLI:NL:CRVB:2019:1721
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet verstrekken bankafschriften
In deze zaak gaat het om de intrekking van de bijstand aan appellant met ingang van 2 augustus 2017, na een eerdere opschorting vanwege het niet verschijnen op een gesprek en het niet verstrekken van gevraagde gegevens. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam had het recht op bijstand opgeschort omdat appellant, die dakloos was, niet had voldaan aan informatieverplichtingen, waaronder het aanleveren van bankafschriften.
Appellant heeft tegen de opschorting geen rechtsmiddelen aangewend. In hoger beroep staat enkel de vraag centraal of de intrekking van de bijstand op grond van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet terecht is. Ondanks meerdere kansen, waaronder een laatste hersteltermijn tot 2 augustus 2017, heeft appellant nagelaten zijn bankafschriften te overleggen.
Appellant stelde dat hij eerder informatie over afgedragen loonbelasting had verstrekt en dat het college op de hoogte was van zijn dakloosheid. Dit doet echter niet af aan het verwijt dat hem kan worden gemaakt wegens het niet aanleveren van bankafschriften, die essentieel zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand. Omdat het ontbreken van deze bankafschriften voldoende grond biedt voor de intrekking, worden overige gronden niet besproken.
Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor een kostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand per 2 augustus 2017 wordt bevestigd vanwege het niet verstrekken van bankafschriften.