ECLI:NL:CRVB:2019:1767
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens gebrek aan arbeidsongeschiktheid per 24 augustus 2008
Appellante, voormalig administratief medewerkster bij een makelaarskantoor, vroeg een WIA-uitkering aan met ingang van 24 augustus 2008, de datum waarop haar dienstverband eindigde. Het UWV stelde vast dat zij per die datum niet arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de medische gegevens geen aanwijzingen bevatten voor een klinisch significant tekort aan vitamine B-12 of andere aandoeningen die tot arbeidsongeschiktheid leidden.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar klachten, waaronder gehoorproblemen, onvoldoende in samenhang waren beoordeeld en dat haar werkzaamheden niet uitsluitend zittend waren. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het UWV en de rechtbank terecht hadden vastgesteld dat zij niet arbeidsongeschikt was op de datum in kwestie. Appellante was niet ziek uit dienst gegaan en had geen nieuwe medische stukken overgelegd ter onderbouwing van haar standpunt.
De Raad benadrukte dat de klachten van appellante, waaronder gehoorproblemen, al vóór de datum van uitdiensttreding bestonden en haar functioneren niet belemmerden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WIA-uitkering per 24 augustus 2008 bevestigd.