ECLI:NL:CRVB:2019:1795
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WIA-uitkering wegens ontbreken ziekte of gebrek per 1 november 2011
Appellant, voormalig huiswerkbegeleider, ontving sinds 2007 een WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Na eerdere procedures waarin een eerdere intrekking met terugwerkende kracht werd vernietigd, heeft het UWV in 2015 opnieuw vastgesteld dat appellant vanaf 1 november 2011 geen recht meer had op een WIA-uitkering omdat geen sprake was van ziekte of gebrek.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze intrekking ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de verzekeringsartsen terecht concludeerden dat er onvoldoende aanwijzingen waren voor een psychiatrische stoornis per de datum in geding.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het medisch oordeel onjuist was, onder meer vanwege informatie van zijn huisarts en een sociaalpsychiatrisch verpleegkundige, en dat hij sinds 2005 werd behandeld voor psychosen. De Raad oordeelde echter dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig was en dat de conclusies van de verzekeringsartsen, ondersteund door onafhankelijke psychiaters, juist waren.
De Raad wees erop dat de medische stukken van appellant onvoldoende objectieve beperkingen aantoonden en dat er geen aanwijzingen waren voor een psychiatrische stoornis per 1 november 2011. Ook werd geen eigen deskundige ingeschakeld omdat het oordeel van de psychiaters doorslaggevend was.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WIA-uitkering per 1 november 2011 wegens het ontbreken van beperkingen door ziekte of gebrek.