Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:1800

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 mei 2019
Publicatiedatum
4 juni 2019
Zaaknummer
18/3937 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:10 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV over niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens termijnoverschrijding

Appellante ontving op 16 november 2017 een brief van het UWV waarin werd meegedeeld dat zij vanaf 15 november 2017 niet meer direct arbeidsongeschikt werd geacht wegens zwangerschap en bevalling. Het UWV verklaarde het bezwaar tegen deze brief op 10 januari 2018 niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De rechtbank Amsterdam bevestigde dit in haar uitspraak van 8 juni 2018.

In hoger beroep betoogde appellante dat haar bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk was verklaard. Het UWV stelde in een brief van 20 februari 2019 dat de brief van 16 november 2017 geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro was, omdat deze geen rechtsgevolg bevatte. Het bezwaar moest daarom worden beschouwd als een prematuur bezwaar tegen een besluit van 19 februari 2019, waarin werd meegedeeld dat appellante geen Ziektewetuitkering kreeg.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht had vastgesteld dat de brief van 16 november 2017 geen besluit was. Hierdoor was het bezwaar tegen die brief ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en droeg het UWV op een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten en werd appellante het betaalde griffierecht vergoed.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de brief van 16 november 2017 is ontvankelijk verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het UWV opgedragen een nieuwe beslissing te nemen.

Uitspraak

18.3937 ZW

Datum uitspraak: 29 mei 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 juni 2018, 18/789 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.A. van Heijningen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2019. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.
Het onderzoek ter zitting is geschorst om het Uwv de gelegenheid te bieden een aantal vragen te beantwoorden.
Na de zitting heeft het Uwv de Raad bericht bij brief van 20 februari 2019.
Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Op 16 november 2017 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij met ingang van
15 november 2017 niet meer direct ten gevolge van zwangerschap en bevalling arbeidsongeschikt wordt geacht. Bij besluit van 10 januari 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat appellante het bezwaarschrift te laat heeft ingediend, terwijl er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv bij het bestreden besluit het bezwaar van appellante terecht wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk heeft verklaard.
3.1.
In hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft appellante – kort samengevat – herhaald dat haar bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.
3.2.
In zijn brief van 20 februari 2019 heeft het Uwv meegedeeld dat alsnog is vastgesteld dat de brief van 16 november 2017 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat in laatstgenoemde brief geen rechtsgevolg is vermeld. Aan appellante is inmiddels een besluit van 19 februari 2019 verzonden, waarin te kennen is gegeven dat appellante geen uitkering ingevolge de Ziektewet krijgt. Volgens het Uwv moet het bezwaar van appellante beschouwd worden als een tegen het besluit van 19 februari 2019 gericht prematuur bezwaar in de zin van artikel 6:10, eerste lid, onder b, van de Awb. Het Uwv acht het bezwaar daarom ontvankelijk, voor zover het gaat om de tijdigheid van het indienen van het bezwaarschrift.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het Uwv heeft terecht vastgesteld dat de brief van 16 november 2017 geen besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb is. Hiermee is gegeven dat het bezwaar tegen de brief van
16 november 2017 ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard op de grond dat appellante te laat bezwaar heeft gemaakt. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep slaagt, dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven, dat het bestreden besluit moet worden vernietigd en dat het Uwv een nieuwe beslissing moet nemen op het bezwaar van appellante.
5. Aanleiding bestaat het Uwv te veroordelen in de proceskosten in beroep en hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- in beroep en € 512,- in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 10 januari 2018 gegrond en vernietigt dat besluit;
- draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.536,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van
in totaal € 172,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2019.
(getekend) D. Hardonk-Prins
(getekend) H. Achtot

RB