ECLI:NL:CRVB:2019:1801
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering ten onrechte betaalde ZW-uitkering en weigering WIA-uitkering wegens niet voldoen wachttijd
Appellante was werkzaam als produktiemedewerker en meldde zich ziek per 9 december 2013. Zij ontving aanvankelijk een WW-uitkering en vervolgens een Ziektewetuitkering (ZW). Het UWV beëindigde het ziekengeld per 9 januari 2015 na vaststelling dat zij meer dan 65% van haar loon kon verdienen. Ondanks bezwaar werd het besluit gehandhaafd. Later betaalde het UWV onterecht ziekengeld door tot 29 november 2015 en vorderde dit bedrag terug.
Appellante voerde aan dat zij niet kon begrijpen dat de betalingen onverschuldigd waren en dat zij mocht vertrouwen op een recht op ziekengeld. Ook stelde zij dat zij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. De rechtbank oordeelde dat het voor appellante duidelijk had moeten zijn dat zij geen recht meer had op ziekengeld na 9 januari 2015 en dat het UWV terecht het bedrag terugvorderde. Ook werd de WIA-uitkering geweigerd omdat niet aan de wachttijd van 104 weken was voldaan.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. Er was geen sprake van een ondubbelzinnige toezegging die een gerechtvaardigde verwachting kon wekken. De brief van 13 november 2015 waarin stond dat ziekengeld werd doorbetaald tot 6 december 2015 was een fout van het UWV en kon niet als toezegging worden beschouwd. Er zijn geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. De weigering van de WIA-uitkering is eveneens terecht.
De Raad concludeert dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en bevestigt het bestreden besluit. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van onverschuldigd betaalde ZW-uitkering en de weigering van de WIA-uitkering.