ECLI:NL:CRVB:2019:1806
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verhoging AOW-pensioen en partnertoeslag wegens beperkte verzekeringsperiode
Appellant vroeg om toekenning van een AOW-pensioen en gaf aan van 1976 tot 2007 in Nederland te hebben gewoond en gewerkt. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende hem een pensioen toe van 4% van het maximale, gebaseerd op een beperkte verzekeringsperiode van 4 november 1988 tot 15 mei 1990. Het bezwaar van appellant tegen deze vaststelling werd ongegrond verklaard.
De rechtbank oordeelde dat appellant slechts in genoemde periode verzekerd was voor de AOW en dat er geen recht op partnertoeslag bestond omdat appellant pas na 1 januari 2015 pensioengerechtigd werd. Appellant stelde dat het pensioen te laag was en dat de toeslag ten onrechte werd geweigerd, onder meer omdat zijn echtgenote geen inkomen had.
De Centrale Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank. Er waren geen nieuwe gegevens die de verzekeringsperiode konden uitbreiden. Ook de weigering van de partnertoeslag werd bevestigd, omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 8 AOW Pro. Het hoger beroep werd afgewezen en er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het pensioen en de weigering van partnertoeslag bevestigd.