ECLI:NL:CRVB:2019:1820

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 april 2019
Publicatiedatum
5 juni 2019
Zaaknummer
17/7782 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstand wegens niet gemelde hennepkwekerij

Het college van burgemeester en wethouders van Leiden heeft bij besluit van 19 september 2016 de bijstand van appellant over de periode 1 maart 2015 tot en met 30 april 2015 ingetrokken en de reeds verstrekte bijstand van €1.922,97 teruggevorderd. Dit op grond van het feit dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte door het exploiteren van een hennepkwekerij in zijn woning zonder dit te melden, waardoor zijn recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat de hennepkwekerij door derden werd geëxploiteerd en hij geen inkomsten had ontvangen. Deze stelling faalde omdat vaststond dat op 19 april 2015 een hennepkwekerij in zijn woning was aangetroffen, wat de veronderstelling rechtvaardigt dat appellant de exploitant was en op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte. Appellant slaagde er niet in het tegendeel aannemelijk te maken.

Verder stelde appellant dat de exploitatie pas vanaf 21 maart 2015 zou zijn gestart, omdat hij zijn woning pas toen had verlaten. Dit werd verworpen op basis van zijn eerdere politieverklaring van 20 april 2015 waarin hij aangaf al vóór maart de sleutel te hebben gegeven aan een derde. Ook de bevindingen van de fraudespecialist en politie bevestigden dat de hennepplanten minstens zeven weken oud waren. De Raad oordeelde dat het college de startdatum van 1 maart 2015 terecht had vastgesteld.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand en terugvordering gehandhaafd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand gehandhaafd.

Uitspraak

17.7782 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 november 2017, 17/3027 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Leiden (college)
Datum uitspraak: 30 april 2019
Zitting heeft: A.B.J. van der Ham, als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: S.A. de Graaff
Namens appellant is mr. M.M. Dezfouli verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door O.J. Massalova.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Bij besluit van 19 september 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 maart 2017 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant over de periode van
1 maart 2015 tot en met 30 april 2015 ingetrokken en de over die periode verstrekte bijstand tot een bedrag van € 1.922,97 teruggevorderd. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant in deze periode op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht door in zijn woning een hennepkwekerij te exploiteren en hij in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting hiervan geen melding heeft gemaakt bij het college, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de hennepkwekerij in zijn woning niet door hem maar door derden werd geëxploiteerd en hij in verband met deze kwekerij geen inkomsten heeft ontvangen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Vast staat dat op 19 april 2015 in de woning van appellant een in werking zijnde hennepkwekerij is aangetroffen. Dit rechtvaardigt de vooronderstelling dat appellant daarvan exploitant is geweest, in die hoedanigheid op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht en dat de opbrengst hem ten goede is gekomen. Appellant is er niet in geslaagd het tegendeel aannemelijk te maken. Of appellant met die activiteiten feitelijk inkomsten heeft verworven is daarbij niet van betekenis.
Appellant heeft verder aangevoerd dat het college de ingangsdatum van de exploitatie van de hennepkwekerij ten onrechte heeft vastgesteld op 1 maart 2015, omdat de kwekerij pas vanaf 21 maart 2015 in bedrijf kan geweest nu appellant op die datum pas zijn woning heeft verlaten. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Tijdens het verhoor door de politie op
20 april 2015 heeft appellant verklaard dat hij in februari een persoon genaamd [X] (X) in een café heeft leren kennen, X heeft voorgesteld in de woning van appellant een hennepkwekerij op te zetten en appellant hem nog vóór maart de sleutel van zijn woning heeft gegeven. Ter zitting bij de rechtbank heeft appellant echter verklaard dat hij X pas op 21 maart 2015 de sleutel heeft gegeven. Er bestaat geen aanleiding om appellant niet aan de op 20 april 2015 afgelegde verklaring te houden
.Bovendien komt die verklaring overeen met de bevindingen van de fraudespecialist van Liander en de hoofdagent van de politie, inhoudend dat de in de woning van appellant aangetroffen hennepplanten tenminste zeven weken oud waren. Ter zitting heeft appellant nog aangevoerd dat geen betekenis kan worden toegekend aan de omstandigheid dat de op 19 april 2015 in zijn woning aangetroffen hennepplanten 80 cm hoog waren, omdat het mogelijk is dat de stekken in een gevorderd groeistadium in zijn woning zijn geplaatst. Nog daargelaten dat appellant deze grond eerst ter zitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht, heeft appellant hiervoor geen enkele onderbouwing gegeven. Zodoende heeft het college de ingangsdatum van de kwekerij terecht bepaald op 1 maart 2015.
Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt.
Voor een veroordeling in de kosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
De griffier verhinderd is te ondertekenen. (getekend) A.B.J. van der Ham