Het college van burgemeester en wethouders van Leiden heeft bij besluit van 19 september 2016 de bijstand van appellant over de periode 1 maart 2015 tot en met 30 april 2015 ingetrokken en de reeds verstrekte bijstand van €1.922,97 teruggevorderd. Dit op grond van het feit dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte door het exploiteren van een hennepkwekerij in zijn woning zonder dit te melden, waardoor zijn recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat de hennepkwekerij door derden werd geëxploiteerd en hij geen inkomsten had ontvangen. Deze stelling faalde omdat vaststond dat op 19 april 2015 een hennepkwekerij in zijn woning was aangetroffen, wat de veronderstelling rechtvaardigt dat appellant de exploitant was en op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte. Appellant slaagde er niet in het tegendeel aannemelijk te maken.
Verder stelde appellant dat de exploitatie pas vanaf 21 maart 2015 zou zijn gestart, omdat hij zijn woning pas toen had verlaten. Dit werd verworpen op basis van zijn eerdere politieverklaring van 20 april 2015 waarin hij aangaf al vóór maart de sleutel te hebben gegeven aan een derde. Ook de bevindingen van de fraudespecialist en politie bevestigden dat de hennepplanten minstens zeven weken oud waren. De Raad oordeelde dat het college de startdatum van 1 maart 2015 terecht had vastgesteld.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand en terugvordering gehandhaafd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.