ECLI:NL:CRVB:2019:1823
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziekengeld op grond van geschiktheid voor WIA-functie bevestigd
Appellant heeft zich ziek gemeld wegens fysieke klachten en vroeg een WIA-uitkering aan, die door het UWV werd afgewezen omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht en geschikt was voor bepaalde functies, waaronder productiemedewerker industrie.
Later beëindigde het UWV het ziekengeld omdat appellant volgens een medisch onderzoek geschikt was voor de eerder geselecteerde WIA-functies. Appellant maakte bezwaar en bracht medische informatie in, waaronder een latere toekenning van een IVA-uitkering, maar stelde dat hij al op de datum in geding ongeschikt was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad acht de medische bevindingen van het UWV voldoende gemotiveerd en concludeert dat de latere verslechtering van de gezondheid geen aanwijzing is dat appellant op de datum in geding al ongeschikt was.
De Raad oordeelt dat appellant op 9 juni 2016 geschikt was voor de functie productiemedewerker industrie en dat het beëindigen van het ziekengeld terecht was. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld bevestigd.