ECLI:NL:CRVB:2019:1842
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft een aanvraag ingediend voor een nabestaandenuitkering na het overlijden van haar echtgenoot. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) weigerde deze uitkering toe te kennen omdat zij niet meer dan 45% arbeidsongeschikt werd geacht. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) voerde een medisch en arbeidskundig onderzoek uit en adviseerde de Svb om appellante niet als arbeidsongeschikt aan te merken.
Na bezwaar en beroep bleef het besluit van de Svb gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en liet zij een eigen deskundigenrapport opstellen, dat een hogere mate van beperkingen constateerde. De Svb bracht hiertegen een tegenrapport in.
De Raad oordeelt dat het onderzoek van de verzekeringsarts zorgvuldig was en dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) voldoende rekening hield met de beperkingen van appellante. Het rapport van de bedrijfsarts Van Gils werd niet gevolgd omdat het niet aannemelijk maakte dat appellante op de datum van het besluit zwaardere beperkingen had. De functies waarop de beoordeling was gebaseerd, zijn geschikt voor appellante. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de nabestaandenuitkering omdat appellante niet voor 45% of meer arbeidsongeschikt is verklaard.