Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:1847

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 juni 2019
Publicatiedatum
6 juni 2019
Zaaknummer
16/3369 ANW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 AssociatieverdragArt. 6 Besluit 3/80Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringAlgemene nabestaandenwetAlgemene Weduwen- en Wezenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op nabestaandenuitkering voor in Turkije woonachtige appellant

Appellante, sinds 1992 woonachtig in Turkije, diende een aanvraag in voor een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) na het overlijden van haar echtgenoot in 2012. Deze aanvraag werd afgewezen omdat zij niet voldeed aan de wettelijke voorwaarden, waaronder leeftijd, arbeidsongeschiktheid en zorg voor een minderjarig kind.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en stelde vast dat de aanvraag beoordeeld moest worden op basis van de ANW en niet de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW). Het beroep van appellante dat zij zich op de AWW kon beroepen vanwege het Associatieverdrag tussen de EU en Turkije werd verworpen.

In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat het Associatierecht geen aanleiding geeft om de strengere voorwaarden van de ANW niet toe te passen. Ook het argument dat de beoordeling van arbeidsongeschiktheid gebaseerd op functies in Nederland onredelijk zou zijn, werd niet gevolgd. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en vergoeding van proceskosten werd afgewezen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een nabestaandenuitkering op grond van de ANW.

Uitspraak

16.3369 ANW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
8 april 2016, 16/200 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats], Turkije (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 6 juni 2019
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. Y. Tamer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2019. Namens appellante is
mr. Tamer verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Herder.

OVERWEGINGEN

1. Appellante was gehuwd met [X.] ([X.]), die op 26 juli 2012 is overleden. Appellante en [X.] zijn in 1992 vanuit Nederland naar Turkije teruggekeerd en sinds die tijd daar woonachtig geweest. Bij vertrek naar Turkije en sedertdien ontving [X.] een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Een aanvraag van appellante om een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) is uiteindelijk in een besluit van 28 november 2014 afgewezen, omdat appellante niet voldeed aan de voorwaarden daarvoor. Met een beslissing van 7 december 2015 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank allereerst vastgesteld dat het geding uitsluitend betrekking heeft op de vraag of de aanvraag van appellante beoordeeld dient te worden op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) of de ANW. In dat verband heeft de rechtbank overwogen dat noch uit de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en Turkije (Associatieverdrag), noch uit Besluit 3/80 van de Associatieraad van 19 september 1980, betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen van de Lid-Staten der Europese Gemeenschappen op Turkse werknemers en hun gezinsleden
(Besluit 3/80) volgt dat appellante zich op de AWW kan beroepen.
3. In hoger beroep heeft appellante herhaald dat de aanvraag om een nabestaandenuitkering beoordeeld dient te worden op grond van de AWW, gezien de regelingen die gelden tussen de EU en Turkije. Ter zitting heeft zij ook nog gesteld dat zij niet in staat is de, aan de schatting naar de mate van haar arbeidsongeschiktheid ten grondslag gelegde, functies kan vervullen, nu deze zijn verbonden aan de Nederlandse arbeidsmarkt en appellante niet naar Nederland kan komen.
4.1.
Appellante kan hierin niet gevolgd worden. Zoals de rechtbank met juistheid heeft vastgesteld, had appellante bij terugkeer in 1992 naar Turkije geen recht op een
AWW-uitkering. De verzekering van haar echtgenoot in het kader van een nabestaandenuitkering, eerst verplicht en later vrijwillig, nam vanaf 1996 de vorm aan van een verzekering op grond van de ANW. Toen het verzekerd risico zich voordeed, gold de ANW en niet meer de AWW. De aanvraag van appellante moest dan ook worden beoordeeld aan de hand van de voorwaarden die zijn gesteld in de ANW. De stelling van appellante dat het Associatierecht zich in algemene zin verzet tegen de toepassing op appellante van de ANW, omdat die strengere uitkeringsvoorwaarden bevat dan de wetgeving die gold ten tijde van het vertrek van appellante en haar echtgenoot uit Nederland, vindt geen steun in het recht.
4.2.
Ook anderszins treft het beroep van appellante op artikel 7 van Pro het Associatieverdrag en artikel 6 van Pro Besluit 3/80 geen doel. Op geen enkele wijze is een uitkering waarop artikel 6 van Pro Besluit 3/80 betrekking heeft, in de situatie van appellante gewijzigd wegens het gaan wonen in Turkije. Evenmin heeft het wonen in Turkije of het hebben van de Turkse nationaliteit enige invloed gehad op de beoordeling van de aanvraag. Aan appellante is een nabestaandenuitkering geweigerd omdat zij niet is geboren voor 1950, niet tenminste 45% arbeidsongeschikt is en geen kind verzorgt dat jonger is dan 18 jaar.
4.3.
Ten slotte kan appellante niet gevolgd worden in haar stelling dat de geduide functies niet gebruikt hadden mogen worden. Zo al niet gezegd moet worden dat het aanvoeren hiervan tardief is en daarom in strijd met de goede procesorde, kan deze in ieder geval geen doel treffen. In de uitspraak van 27 augustus 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7420) heeft de Raad reeds geoordeeld dat in het kader van de ANW bij de beoordeling van de verdiencapaciteit gebruik mag worden gemaakt van functies in Nederland.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en de aangevallen uitspraak bevestigd zal worden.
5. Voor vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van
M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2019.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) M. Graveland
lh