ECLI:NL:CRVB:2019:1849
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand op basis van de Participatiewet en meldde telefonisch dat haar partner niet meer bij haar woonde. Een onderzoek door de gemeente Den Haag toonde echter aan dat B zich gedurende de relevante periode feitelijk op het uitkeringsadres bevond en er sprake was van wederzijdse zorg. Hierdoor was sprake van een gezamenlijke huishouding, waardoor appellante niet als zelfstandig subject voor bijstand in aanmerking kwam.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en het hoger beroep werd ingesteld. Appellante voerde aan dat B mantelzorg verleende en dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar zijn leefsituatie, en dat de sociale media niet als bewijs konden dienen. De Raad oordeelde dat de onderzoeksbevindingen voldoende feitelijke grondslag boden voor de conclusie dat het hoofdverblijf van B op het uitkeringsadres was en dat er sprake was van wederzijdse zorg.
De Raad stelde dat motieven en aard van de relatie niet relevant zijn bij de beoordeling van een gezamenlijke huishouding. De wederzijdse zorg bleek uit diverse feiten zoals het delen van huishoudelijke taken, financiële verstrengeling en hulpverlening. De beroepsgronden van appellante werden verworpen en de aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.