ECLI:NL:CRVB:2019:1856
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellante was tot oktober 2012 werkzaam als huishoudelijk medewerkster en meldde zich in november 2012 ziek. Na afloop van de wachttijd stelde het UWV vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en dat zij geschikt was voor bepaalde functies. In 2016 werd haar ziekengeld op grond van de Ziektewet beëindigd na een medisch onderzoek door verzekeringsartsen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht en de belastbaarheid juist was vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar klachten en psychosociale problematiek onvoldoende waren meegewogen, maar dit werd door de Raad verworpen.
De Raad oordeelde dat de verzekeringsartsen het dossier grondig hadden bestudeerd, een anamnese hadden afgenomen en de klachten inzichtelijk hadden gemotiveerd. Er was geen aanleiding om te twijfelen aan de vastgestelde belastbaarheid en de geschiktheid voor de geselecteerde functies.
De klachten van appellante, waaronder psychische problematiek en vermoeidheid, waren reeds in eerdere beoordelingen meegenomen en de aanvullende beperkingen waren passend vastgesteld. Ook de bijwerkingen van medicatie waren niet objectief onderbouwd. De Raad bevestigde daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellante is terecht beëindigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.