ECLI:NL:CRVB:2019:1872
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WW-uitkering wegens onvoldoende bewijs verblijf in Nederland
Appellante was werkzaam bij een bedrijf tot 1 februari 2011 en vroeg daarna een WW-uitkering aan. Het UWV wees de aanvraag af voor de periode vanaf 9 november 2011 omdat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij in Nederland verbleef. De rechtbank Rotterdam oordeelde dat de door appellante overgelegde stukken onvoldoende verifieerbaar waren en onvoldoende duidelijkheid boden over haar verblijf in Nederland.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar stukken voldoende waren, maar kon geen aanvullende bewijsstukken overleggen. De Raad overwoog dat op grond van de WW de aanvrager moet aantonen dat hij in Nederland verbleef en dat het oordeel van de rechtbank dat dit niet was aangetoond, terecht was. De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit.
De Raad nam mee dat appellante niet had gereageerd op rappelbrieven, dat haar bankafschriften en huurbetalingen niet duidelijk waren, en dat een e-mail van haar maatschappelijk werkster aangaf dat zij in het buitenland verbleef. Ook was geen bewijs van een getuigenbeschermingsprogramma aanwezig. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aanvraag voor de WW-uitkering afgewezen.
Uitkomst: De aanvraag van appellante voor een WW-uitkering over de periode van 9 november 2011 tot en met 30 november 2012 is afgewezen wegens onvoldoende bewijs van verblijf in Nederland.