ECLI:NL:CRVB:2019:1889
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
WIA-uitkering terecht geweigerd na medische en arbeidskundige beoordeling
Appellante, werkzaam als schoonmaakster, meldde zich op 5 november 2012 ziek vanwege pijnklachten. Het UWV stelde bij besluit van 18 september 2014 vast dat zij vanaf 27 oktober 2014 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en dus geen recht had op een WIA-uitkering. Dit besluit werd bij bezwaar van 9 april 2015 bevestigd, waarbij rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen werden betrokken.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen werden onderschat. De Raad benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige, die op 26 juli 2018 een rapport uitbracht waarin fibromyalgie werd vastgesteld en beperkingen werden beschreven, met name voor fysiek zwaar werk en stressvolle situaties.
De Raad oordeelde dat het deskundigenrapport zorgvuldig en overtuigend was en volgde dit oordeel. Op basis van de aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst en het arbeidskundig rapport stelde het UWV terecht dat appellante geen recht had op een WIA-uitkering. Hoewel het bestreden besluit aanvankelijk onvoldoende gemotiveerd was, werd dit gebrek gepasseerd omdat het geen nadelige gevolgen had voor appellante.
De Raad veroordeelde het UWV tot betaling van proceskosten en de Staat tot een schadevergoeding van €1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn met acht maanden, die zich uitsluitend in de rechterlijke fase voordeed. De aangevallen uitspraak werd bevestigd met verbetering van de gronden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering wordt bevestigd.