ECLI:NL:CRVB:2019:19
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per 5 oktober 2015
Appellante, werkzaam als medewerker accountcontrole, viel in februari 2013 uit wegens rugklachten en aangezichtspijn. Na een eerstejaars Ziektewet-beoordeling werd het ziekengeld voortgezet omdat zij minder dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen. Bij de aanvraag van een WIA-uitkering werd zij onderzocht door een verzekeringsarts die beperkingen vaststelde, maar geen arbeidsduurbeperking aannam.
Het UWV stelde bij besluit van 23 november 2015 vast dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was en dus geen recht had op een WIA-uitkering. Bezwaar en beroep werden ongegrond verklaard, waarbij de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de eerdere beoordelingen onderschreven.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen juist waren vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de medische situatie gelijk was aan die bij de Ziektewet-beoordeling en dat onterecht geen urenbeperking was aangenomen voor het multidisciplinaire behandeltraject.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het UWV terecht rekening hield met de situatie op de beoordelingsdatum en dat de latere behandeling geen invloed had op de beoordeling van 5 oktober 2015. De medische informatie van appellante was onvoldoende om de eerdere conclusies te weerleggen. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering vanaf 5 oktober 2015.