ECLI:NL:CRVB:2019:1903
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening AOW-pensioen met terugwerkende kracht van één jaar bij meerpersoonshuishouden
Betrokkenen voerden een gezamenlijke huishouding en ontvingen AOW-pensioenen voor gehuwden. Na melding van een geregistreerd partnerschap stelde de Sociale Verzekeringsbank (Svb) vast dat sprake was van een meerpersoonshuishouden, waarna zij de pensioenen herzag naar de norm van een ongehuwde met ingang van februari 2015.
De Svb beperkte de terugwerkende kracht van de herziening tot één jaar, omdat zij pas in januari 2016 op de hoogte was van het meerpersoonshuishouden en er geen sprake was van een fout van haar zijde. De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de Svb de pensioenen met een langere terugwerkende kracht had moeten verhogen, mede omdat de aanvraagformulieren geen mogelijkheid boden om een meerpersoonshuishouden aan te geven en de Svb dit bij normaal onderzoek had kunnen vaststellen.
De Raad oordeelde dat de Svb terecht uitging van een terugwerkende kracht van één jaar, omdat betrokkenen niet alle relevante informatie hadden verstrekt en de Svb niet aansprakelijk was voor het niet tijdig vaststellen van het meerpersoonshuishouden. Tevens was er geen bijzonder geval dat een verdere terugwerkende kracht rechtvaardigde.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de bestreden uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de AOW-pensioenen terecht met terugwerkende kracht van één jaar zijn herzien.