ECLI:NL:CRVB:2019:1918
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit beëindiging ziekengeld en toewijzing schadevergoeding wegens onvoldoende motivering
De zaak betreft het hoger beroep tegen het besluit van het UWV om de ziekengelduitkering van appellant per 22 november 2015 te beëindigen. De Raad heeft eerder een tussenuitspraak gedaan waarin werd vastgesteld dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd en niet in overeenstemming met de medische bevindingen van de bedrijfsarts van 2 november 2015.
In reactie op de tussenuitspraak heeft het UWV een aanvullend rapport ingediend waarin werd gesteld dat bedrijfsartsen geneigd zijn claims op ziekte of arbeidsongeschiktheid te honoreren bij plausibiliteit, en dat het rapport van de bedrijfsarts summier was. Desondanks concludeert de Raad dat appellant sinds 5 oktober 2015 door forse beperkingen doorlopend arbeidsongeschikt is geweest, mede op basis van een deskundigenoordeel van 20 maart 2017 en een rapport van Ergatis van 24 januari 2017.
De Raad oordeelt dat het UWV het gebrek in de motivering niet heeft hersteld en vernietigt daarom het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak. Tevens wordt het besluit van 20 oktober 2015 herroepen en treedt deze uitspraak in de plaats van het vernietigde besluit. Het verzoek tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente over de nabetaalde Ziektewetuitkering wordt toegewezen. Daarnaast wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de ziekengelduitkering wordt vernietigd en schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente wordt toegewezen.