Uitspraak
16.6727 WIA
mr. M.J. van Steenwijk.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als huishoudelijke hulp, meldde zich ziek wegens klachten aan de linkerschouder en onderging twee operaties. Na hervatting van het werk viel hij opnieuw uit en kreeg hij een loongerelateerde WIA-uitkering toegekend. Het UWV besloot deze uitkering te beëindigen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Dit besluit werd bij bezwaar en door de rechtbank bevestigd.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan, met name dat er geen navraag was gedaan bij de behandelend sector ondanks toegenomen klachten en een onzekere prognose. Ook stelde appellant dat zijn beperkingen duurzaam zijn en vroeg hij om benoeming van een onafhankelijke deskundige.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en volledig was, dat er geen aanleiding was tot nader onderzoek bij de behandelend sector, en dat de prognose onzekerheid niet tegenstrijdig is met het oordeel over arbeidsongeschiktheid. Het arbeidskundig onderzoek toonde een arbeidsongeschiktheid van 21,09%. De Raad concludeerde dat appellant niet volledig arbeidsongeschikt is en daarom geen recht heeft op een IVA-uitkering. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de bestreden uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De WIA-uitkering is terecht beëindigd omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.