ECLI:NL:CRVB:2019:1953
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging OV-schuld ondanks detentie en inbeslagname OV-chipkaart
De zaak betreft de vastgestelde OV-schuld over januari en februari 2017, omdat appellant niet langer recht had op studiefinanciering en het studentenreisproduct niet tijdig heeft stopgezet. De minister had de schuld vastgesteld en het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
De rechtbank oordeelde dat appellant, ondanks detentie en inbeslagname van zijn OV-chipkaart en andere apparaten, zijn reisproduct tijdig had kunnen laten stopzetten via een derde, zoals zijn vader. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en stelt dat de situatie van detentie en inbeslagname geen overmacht oplevert zoals bedoeld in artikel 3.27, derde lid, van de Wet studiefinanciering 2000.
De Raad benadrukt dat voldoende informatie beschikbaar is over het stopzetten van het reisproduct, ook zonder fysieke toegang tot de OV-chipkaart, en dat appellant de verantwoordelijkheid draagt voor het niet tijdig stopzetten. Daarnaast oordeelt de Raad dat de invordering door een deurwaarder niet door de bestuursrechter kan worden bestreden, maar via de civiele rechter moet verlopen.
Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de vastgestelde OV-schuld blijft gehandhaafd.