ECLI:NL:CRVB:2019:1963
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als re-integratie consulent/jobhunter, meldde zich ziek op 12 november 2013 wegens psychische en lichamelijke klachten. Het UWV weigerde hem per 10 november 2015 een WIA-uitkering toe te kennen omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Deze beslissing werd bij bezwaar en beroep bevestigd.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschreef dat appellant hooguit een matige depressie had en geen aanwijzingen waren voor meer fysieke beperkingen rond de datum in geding. De arbeidsdeskundige had inzichtelijk gemaakt dat de geselecteerde functies passend waren.
In hoger beroep voerde appellant aan dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn beperkingen, zoals problemen met lawaaiige omgevingen en telefonische communicatie, en dat functies als productiemedewerker en samensteller niet passend waren. Hij verwees naar een rapport van een verzekeringsarts van een latere datum, maar de Raad stelde vast dat dit onderzoek na de datum in geding was uitgevoerd en geen nieuwe medische informatie bevatte.
De Raad concludeerde dat de rechtbank terecht geen grond zag om het eerdere oordeel te wijzigen en dat de beperkingen voldoende waren meegewogen. Het hoger beroep faalde en de aangevallen uitspraak werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.