ECLI:NL:CRVB:2019:1966
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering hernieuwde WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, die sinds 31 januari 2008 ziekgemeld is met psychische en lichamelijke klachten, had een WIA-uitkering ontvangen vanaf 28 januari 2010 met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%, maar deze werd beëindigd per 15 mei 2013 omdat zijn arbeidsongeschiktheid toen minder dan 35% bedroeg.
Op 11 mei 2015 meldde appellant een verslechtering van zijn gezondheid per 20 december 2014, met name toegenomen psychische klachten. Het UWV weigerde op 4 augustus 2015 een hernieuwde WIA-uitkering toe te kennen, omdat de arbeidsongeschiktheid volgens hen minder dan 35% was. Dit besluit werd bij bezwaar op 7 januari 2016 gehandhaafd.
De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat er geen reden was om te twijfelen aan de medische beoordeling van het UWV. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen, vooral psychisch, werden onderschat en overhandigde medische rapporten, waaronder een neuropsychologisch onderzoek en brieven van zijn psychiater, en verzocht om benoeming van een onafhankelijke psychiater.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank, stelde vast dat de medische informatie door het UWV was betrokken en dat appellant geen nieuwe medische gegevens had overgelegd die het tegendeel bewezen. Daarom zag de Raad geen aanleiding voor het inschakelen van een onafhankelijke deskundige en verklaarde het hoger beroep ongegrond, waarmee de aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de hernieuwde WIA-uitkering heeft geweigerd.