ECLI:NL:CRVB:2019:1972
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde bijstand wegens dubbele uitbetaling
Appellanten ontvingen vanaf december 2010 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand. Het college trok de bijstand in vanwege niet gemelde werkzaamheden en betaalde per vergissing een bedrag van € 8.004,26 uit dat betrekking had op een periode waarvoor al bijstand was ontvangen. Het college vorderde dit bedrag terug op grond van artikel 58 lid 2 onder Pro e van de PW.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, waarna zij in hoger beroep stelden dat zij niet hoefden te begrijpen dat zij geen recht hadden op het bedrag en dat er toezeggingen waren gedaan waarop zij mochten vertrouwen. De Raad oordeelde dat appellanten redelijkerwijs hadden kunnen begrijpen dat het bedrag onverschuldigd was, gelet op de reeds ontvangen bijstand en het ontbreken van een aanvraag in de vermeende periode.
Verder was er geen sprake van ondubbelzinnige toezeggingen van het college die het vertrouwensbeginsel konden rechtvaardigen. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van € 8.004,26 onverschuldigde bijstand wegens dubbele uitbetaling.