ECLI:NL:CRVB:2019:1974
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen bankoverschrijving WAO-uitkering
Appellant ontvangt een WAO-uitkering waarop op 2 september 2016 beslag is gelegd. De deurwaarder verzocht het Uwv de beslagvrije voet aan te passen naar € 795,60 per maand. Het Uwv besloot op 16 oktober 2016 een bedrag van € 371,77 netto uit te betalen en betaalde dit op 21 oktober 2016 aan appellant.
Appellant maakte bezwaar tegen deze bankoverschrijving omdat hij meende dat het Uwv ten onrechte geen rekening had gehouden met de beslagvrije voet. Het Uwv verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de betaling een feitelijke uitvoering betrof van het besluit van 16 oktober 2016, en geen zelfstandig besluit was.
De rechtbank Limburg oordeelde dat de bankoverschrijving geen besluit in de zin van de Awb is en wees het beroep af. In hoger beroep voerde appellant aan dat het Uwv de brief van de deurwaarder pas na het besluit had ontvangen en dit aanleiding had moeten zijn tot herroeping. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat de betaling geen besluit is en het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de bankoverschrijving van de WAO-uitkering is terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat de betaling geen besluit vormt.