ECLI:NL:CRVB:2019:1995
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding op grond van onweerlegbaar rechtsvermoeden
Appellant ontving sinds 2012 bijstand als alleenstaande. Het college trok de bijstand in 2015 in omdat appellant een gezamenlijke huishouding voerde met X. Appellant diende daarna meerdere aanvragen in, die werden afgewezen op grond van het feit dat hij en X hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en binnen twee jaar voorafgaand aan de aanvraag als gehuwden werden aangemerkt.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat het college niet mocht uitgaan van het onweerlegbaar rechtsvermoeden omdat hij en X volgens eigen verklaringen geen gezamenlijke huishouding voerden. De Raad oordeelde dat het feit dat zij hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en binnen de relevante periode als gehuwden werden aangemerkt, het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding rechtvaardigt.
Daarom hoefde het college geen nader onderzoek te doen en kon appellant niet als zelfstandig rechtssubject voor bijstand worden beschouwd. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd omdat appellant met X een gezamenlijke huishouding voert op grond van het onweerlegbaar rechtsvermoeden.