ECLI:NL:CRVB:2014:3343
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gezamenlijke huishouding en terugvordering bijzondere bijstand
Appellanten voerden gezamenlijk hoger beroep tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen waarin bijzondere bijstand werd ingetrokken en teruggevorderd vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding. De Raad toetste of het onweerlegbaar rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB terecht werd toegepast.
Uit uitgebreid onderzoek door de sociale recherche, inclusief getuigenverklaringen, observaties en dossieronderzoek, bleek dat appellant en appellante feitelijk hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Ook al stonden zij op verschillende adressen ingeschreven, was het centrum van hun dagelijks leven en sociale activiteiten gezamenlijk. De motieven voor de aanwezigheid van appellant bij appellante, zoals mantelzorg en bescherming, waren niet relevant voor de vraag of sprake was van een gezamenlijke huishouding.
De Raad verwierp het beroep op verboden discriminatie en oordeelde dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden niet in strijd is met het EVRM of IVBPR. De eerdere uitspraken van de rechtbank werden bevestigd en het terug te vorderen bedrag werd gehandhaafd. Het hoger beroep werd afgewezen en de proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van bijzondere bijstand wegens gezamenlijke huishouding bevestigd.