Uitspraak
18.802 WIA
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Centrale Raad van Beroep
In deze zaak stond centraal of het UWV terecht bij de vaststelling van de WIA-uitkering rekening hield met een loondoorbetalingsverplichting van de werkgever op grond van artikel 7:629 BW Pro vanaf 12 oktober 2012. De werknemer was sinds mei 2006 overeengekomen minder uren te werken (32 uur per week in plaats van 40), waarbij het loon was aangepast. De werkgever betwistte dat hierdoor een nieuwe loondoorbetalingsplicht was ontstaan bij ziekte vanaf 2012.
De Raad verwees naar eerdere jurisprudentie en overwoog dat de loondoorbetalingsplicht op grond van artikel 7:629 BW Pro ontstaat bij nieuwe bedongen arbeid, wat hier niet het geval was omdat de vermindering van uren al in 2006 was overeengekomen en de werknemer toen niet ziek was. De loondoorbetalingsplicht vanaf 12 oktober 2012 was dus nieuw en terecht meegenomen door het UWV.
Het beroep van de werkgever werd ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen. De Raad bevestigde dat het UWV het recht had om de WIA-uitkering te verminderen met het bedrag dat de werkgever aan loon moest doorbetalen tijdens ziekte, conform artikel 61 van Pro de Wet WIA.
De uitspraak verduidelijkt de toepassing van loondoorbetalingsverplichtingen in het kader van WIA-uitkeringen bij gewijzigde arbeidsduur en bevestigt de rechtmatigheid van het UWV-besluit.
Uitkomst: Het beroep van de werkgever wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.