ECLI:NL:CRVB:2019:2025
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens niet afsluiten zorgverzekering tijdens detentie
Appellant verbleef van mei 2013 tot januari 2017 in detentie, eerst in Duitsland en daarna in Nederlandse penitentiaire inrichtingen. Op 15 september 2015 ontving hij een schriftelijke aanmaning van het CAK om binnen drie maanden een zorgverzekering af te sluiten, met de waarschuwing dat bij uitblijven een boete zou volgen. Ondanks deze aanmaning en nadere communicatie heeft appellant niet tijdig een zorgverzekering afgesloten.
Het CAK legde appellant op 29 december 2015 een boete van €351,99 op wegens het niet voldoen aan de verzekeringsplicht. Appellant betwistte dit besluit, stellende onder meer dat hij tijdens detentie een verzekering had via het Ministerie van Veiligheid en Justitie en dat hij niet correct was geïnformeerd over zijn verplichtingen. Ook voerde hij aan dat de zorgverzekering ten onrechte was stopgezet in plaats van opgeschort.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De verzekering via het Ministerie van Veiligheid en Justitie wordt niet als zorgverzekering in de zin van de Zvw beschouwd. Er is geen bewijs dat appellant tijdens detentie een geldige zorgverzekering had of dat deze was opgeschort. Ook is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die een lagere boete rechtvaardigen. Het verwijtbaar gedrag van appellant blijft bestaan, ondanks dat hij na detentie direct een zorgverzekering afsloot.
De Raad concludeert dat appellant terecht een boete is opgelegd en dat de procedurekosten niet worden toegewezen. De uitspraak is gedaan door mr. J.P.A. Boersma, in aanwezigheid van griffier W.M. Swinkels, en uitgesproken op 19 juni 2019.
Uitkomst: De boete van €351,99 wegens het niet tijdig afsluiten van een zorgverzekering tijdens detentie wordt bevestigd.