ECLI:NL:CRVB:2016:4097
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens niet tijdig afsluiten zorgverzekering tijdens verblijf in TBS-instelling
Appellant verbleef sinds 2003 in een TBS-instelling en werd door het Zorginstituut schriftelijk aangemaand om binnen drie maanden een zorgverzekering af te sluiten. Na het verstrijken van deze termijn zonder verzekering legde het Zorginstituut een boete van €356,49 op. Appellant sloot later alsnog een zorgverzekering af en maakte bezwaar tegen de boete, dat door het Zorginstituut werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat detentie geen vrijstelling van de verzekeringsplicht geeft en dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij geweigerd werd door zorgverzekeraars.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de kosten waren afgedekt via een overeenkomst tussen VGZ en de minister van Veiligheid en Justitie en dat hij de aanmaning niet tijdig had ontvangen. De Raad stelde vast dat de collectieve overeenkomst geen zorgverzekering in de zin van de Zvw betreft en dat de boete terecht is opgelegd omdat appellant niet binnen de gestelde termijn een zorgverzekering had afgesloten. Ook was geen sprake van bijzondere omstandigheden die een lagere boete zouden rechtvaardigen. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
De Raad benadrukte dat de boete een wettelijke sanctie is voor het niet voldoen aan de verzekeringsplicht en dat appellant voldoende gelegenheid had gehad om contact op te nemen met het Zorginstituut. De financiële situatie van appellant was onvoldoende onderbouwd om tot matiging van de boete te leiden. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 26 oktober 2016.
Uitkomst: De boete wegens het niet tijdig afsluiten van een zorgverzekering wordt bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.