ECLI:NL:CRVB:2019:2026
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). Na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar door haar jongste kind, beëindigde de Sociale verzekeringsbank (Svb) de uitkering omdat appellante niet voldeed aan de arbeidsongeschiktheidseis van minimaal 45%.
De Svb baseerde zich op een advies van het UWV, waarin werd vastgesteld dat appellante minder dan 45% arbeidsongeschikt was. Zowel in bezwaar als in eerste aanleg werd dit oordeel bevestigd, waarbij de rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn eigen oordeel mocht hanteren.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen onderschat waren en dat het UWV onvolledige informatie had gebruikt, onder meer door geen informatie bij haar huisarts in te winnen. De Raad verwierp deze bezwaren en bevestigde dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en de geselecteerde functies medisch passend zijn.
Daarnaast werd het verzoek om uitstel van de zitting afgewezen wegens te late indiening en het risico dat het handelen van een gemachtigde voor rekening van appellante komt. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen omdat het hoger beroep ongegrond werd verklaard.
De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en wees alle verzoeken van appellante af.
Uitkomst: De intrekking van de nabestaandenuitkering wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.