ECLI:NL:CRVB:2019:2029
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens niet langer duurzaam gescheiden leven en onvoldoende bewijs inkomen echtgenoot
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande, omdat zij als gehuwd maar duurzaam gescheiden levend werd aangemerkt. Na melding van de geboorte van een kind en onderzoek door de gemeente bleek dat haar echtgenoot tijdelijk in Nederland verbleef en het kind erkende. Het college stelde dat appellante niet langer duurzaam gescheiden leefde en trok de bijstand in.
Appellante voerde aan dat haar echtgenoot geen inkomen had en dat zij daarom recht had op bijstand naar de bijzondere norm voor gehuwden waarvan één echtgenoot niet-rechthebbend is. Het college vroeg meerdere keren om bewijsstukken van het inkomen en vermogen van de echtgenoot, maar appellante leverde onvoldoende gegevens aan.
De rechtbank vernietigde het besluit deels, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigde de intrekking omdat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat haar echtgenoot geen inkomen of vermogen had. De Raad oordeelde dat het college terecht het recht op bijstand niet kon vaststellen en de bijstand daarom terecht introk.
Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat appellante onvoldoende aannemelijk maakte dat haar echtgenoot geen inkomen of vermogen had.